Letselschade voetganger of fietser bij aanrijding

Kwetsbare of 'zwakke' weggebruikers worden in bescherming genomen tegen de gevaren van gemotoriseerd verkeer ('sterke' weggebruikers). Daardoor is bij een ongeval tussen een auto en een fietser de automobilist eigenlijk meestal aansprakelijk, minimaal voor 50%.

Zwakke en sterke weggebruikers

Als voetganger of fietser ben je een ‘zwakke weggebruiker’. Bij een aanrijding met een scooter, vrachtwagen, auto of bus (sterke weggebruikers) loop je tenslotte sneller en ernstiger letsel op dan bijvoorbeeld de automobilist. Andere zwakke weggebruikers zijn bijvoorbeeld skateboarders of mensen die skeeleren of steppen. De rechtspraak heeft uitgemaakt dat de zwakke verkeersdeelnemers moeten worden beschermd tegen de gevaren van het gemotoriseerde verkeer. Die bescherming wordt geboden doordat de sterke weggebruikers in de regel aansprakelijk kunnen worden gehouden voor ongevallen met zwakke weggebruikers. Op die wijze krijgen zwakke weggebruikers bij een verkeersongeval hun schade sneller en eenvoudiger vergoed.

Minimaal 50% schadevergoeding

Als er bij een ongeval met een fietser of voetganger geen sprake is van overmacht aan de zijde van de sterke weggebruiker bijvoorbeeld een automobilist, zal die automobilist minimaal voor 50% aansprakelijk zijn. Dat betekent dat je in dat geval als fietser of voetganger recht hebt op een vergoeding van minimaal 50% van de schade. Vervolgens wordt bepaald of je recht hebt op méér dan die 50%. Dit hangt af van de omstandigheden en de vraag op basis van welke fouten of verkeerde inschattingen het ongeval is ontstaan. Is het ongeval overwegend te wijten aan de automobilist, dan zal de aansprakelijkheid 100% zijn. Wanneer echter ook de fietser of voetganger een fout heeft gemaakt of onvoorzichtig is geweest, dan zal hem dat ook worden aangerekend. Bijvoorbeeld omdat hij plotseling de weg overstak of zomaar en zonder enige aanwijzing van richting veranderde. In dat geval kan het zijn dat de aansprakelijkheid geen 100% wordt, maar bijvoorbeeld maar 60% of 85%.

Deze zogenaamde 50%-regel geldt voor zwakke weggebruikers van 14 jaar en ouder. Voor kinderen (jonger dan 14 jaar) geldt de zogenaamde 100%-regel.

Zie daarvoor: Letselschade kind door verkeersongeval


4 scenario's van aansprakelijkheid bij verkeersongeluk


Scenario 1

Kan de fietser of voetganger niets worden verweten wat betreft het ontstaan van het ongeval? Dan zal de schade van de zwakke weggebruiker volledig vergoed moeten worden door de sterke weggebruiker.

Scenario 2

Valt de fietser of voetganger ook een verkeersfout te verwijten die bijgedragen heeft aan de aanrijding, maar is er geen sprake van overmacht bij de automobilist? Dan zal de aansprakelijkheid minimaal 50% zijn. De resterende 50% wordt gewogen op basis van de omstandigheden en de vraag wie van beide het meest verantwoordelijk is voor het ontstaan van het ongeluk. Op basis daarvan wordt die resterende 50% verdeeld. De aansprakelijkheid zal dan liggen tussen de 50% en de 100%

Scenario 3

Is de fout van de fietser of voetganger even ernstig als die van de automobilist? Dan zal hij (toch) 50% van de schade vergoed krijgen.

Scenario 4

De fout van de fietser of voerganger was voor de automobilist dermate onverwacht en ernstig dat hij daar in redelijkheid niet op voorbereid kon zijn of rekening mee had kunnen houden. In dat geval is sprake van overmacht voor de automobilist en is hij niet aansprakelijk voor de aanrijding. In dat geval zal de zwakke weggebruiker zijn schade zelf moeten dragen en dus niet vergoed krijgen.

Overmacht

Wanneer de automobilist kan aantonen dat hem geen enkel verwijt kan worden gemaakt voor de aanrijding met een zwakke weggebruiker, is hij niet aansprakelijk voor het ongeval. In dat geval is er sprake van overmacht. Echter vanwege de beschermingsgedachte van het zwakke ten opzichte van het gemotoriseerde verkeer, wordt dit slechts in uitzonderlijke gevallen geaccepteerd. Bijvoorbeeld wanneer een (dronken) voetganger opeens de weg overschiet als een auto passeert, terwijl hij voor die auto niet eerder zichtbaar was. Het bewijs van overmacht rust op de automobilist!

De billijkheidscorrectie

In sommige gevallen besluit de rechter ondanks fouten van de zwakke weggebruiker hem (extra) in bescherming te nemen omdat sprake is van uitzonderlijk ernstig letsel en/of de nog jonge leeftijd van het slachtoffer. Dit kan de rechter doen als hij vindt dat het voor het slachtoffer erg onredelijk uitpakt om enkel de normale regels toe te passen. In zo'n situatie stelt de rechter de aansprakelijkheid dan vast op een hoger percentage ten nadele van de automobilist, dan normaliter op basis van de feiten en omstandigheden aan de orde zou zijn geweest. We spreken dan van de billijkheidscorrectie. Bijvoorbeeld wanneer een fietser van 15 jaar mede door een onverwachte manoeuvre van hemzelf in botsing komt met een vrachtauto en daardoor ernstig hersenletsel oploopt. Wanneer de rechter op basis van de normale regels de aansprakelijkheid bijvoorbeeld op 75% zou stellen vanwege de eigen fout van de fietser, kan hij in zo'n situatie vanwege de jonge leeftijd en het ernstige letsel, de aansprakelijkheid toch op 100% stellen waardoor de schade van de fietser toch volledig wordt vergoed.


Praktijkvoorbeeld billijkheidscorrectie bij verkeersongeval

Een kind is twee dagen geleden 14 geworden. Dat betekent dat ze niet meer onder de speciale aansprakelijkheidsregeling voor kinderen onder de 14 jaar valt, maar onder de 50% regel. Door een aanrijding met een bus loopt het kind zwaar letsel op. Uit billijkheid kan de rechter dan bepalen dat de automobilist toch volledig aansprakelijkheid is.